Elke maand komt het Europees Parlement gedurende vier dagen in plenaire vergadering bijeen in Straatsburg. Deze zittingen vormen de hoogtepunten van het parlementaire werk. In de Franse stad vinden de grote actualiteitsdebatten plaats en wordt finaal gestemd over wetgevende teksten. De plenaire vergadering kan dan ook beschouwd worden als het sluitstuk van het werk dat in Brussel wordt verricht.
Met deze terugblik zet ik de belangrijkste gebeurtenissen van de week op een rij, bied ik de nodige context, analyseer ik en geef ik toelichting bij enkele belangrijke stemmingen tijdens deze plenaire vergadering.
SOTEU 2026: we kennen de bestemming, nu moeten we sneller vooruit
Elk jaar is het een niet te missen afspraak op Europees niveau: tijdens de plenaire vergadering van september in Straatsburg houdt de voorzitter van de Europese Commissie voor de leden van het Europees Parlement haar jaarlijkse beleidsrede, beter bekend als de State of the European Union (SOTEU).
Het is een bijzonder moment. In de eerste plaats symbolisch, omdat de toespraak het parlementaire jaar opent – ook al hebben de parlementsleden hun werkzaamheden formeel al hervat na de zomer. Maar bovenal is dit het moment waarop de Commissievoorzitter de prioriteiten van de Europese uitvoerende macht voor het komende jaar vastlegt. De belangrijkste initiatieven die de komende maanden worden gelanceerd, worden er aangekondigd en krijgen later hun weerslag in het werkprogramma van de Commissie. Tegelijk biedt de toespraak de gelegenheid om de balans op te maken. Halverwege de legislatuur is het bijzonder interessant om een overzicht te krijgen van de verschillende projecten die al in gang zijn gezet.
Dit jaar ben ik over het algemeen tevreden over de State of the European Union, al blijf ik op een aantal punten op mijn honger zitten.
Wat ik in de eerste plaats onthoud, is de aandacht voor het concurrentievermogen van Europa. Over de diagnose bestaat nog weinig discussie: onze economie beschikt over enorme troeven en innovatieve ondernemingen, maar heeft het moeilijk in de huidige internationale context. Europa heeft moeite om het tempo van andere grote economieën, in het bijzonder de Verenigde Staten en China, bij te houden en probeert te voorkomen dat we verder achterop raken.
Ondanks die moeilijkheden slagen we er als Europeanen nog steeds in onszelf obstakels op te leggen. De interne markt wordt vandaag nog door te veel barrières gehinderd, wat onze ondernemingen en economische groei afremt. De versnippering van onze economieën verzwakt ons. En vooral: bureaucratie blijft ondernemingen hinderen in hun ontwikkeling.
Daarom verwelkom ik de toezegging om de routekaart ‘One Europe, One Market’ af te ronden, met als doel onze interne markt tegen eind volgend jaar daadwerkelijk te voltooien.
Ik ben vooral tevreden over de ambitie om samen met de lidstaten een pact tegen gold-plating op te stellen. Achter die technische term schuilt een fenomeen dat nog te vaak voorkomt: Europa stelt een regel vast en vervolgens voegt een lidstaat daar nog een extra laag nationale regels aan toe. Dat vergroot de administratieve lasten voor heel wat actoren nog verder.
Deze aankondiging is uitstekend nieuws en sluit volledig aan bij het huidige federale regeerakkoord, aangezien de Belgische regering zich vanaf haar aantreden heeft geëngageerd om overregulering te vermijden.
Een andere belangrijke aankondiging is de EU KIDS Act, die onze kinderen en jongeren beter moet beschermen op sociale media.
Ik pleit al langer voor het principe van een progressieve en proportionele digitale meerderjarigheid. Het voorstel van Ursula von der Leyen komt aan die bezorgdheid tegemoet: geen sociale media vóór 13 jaar; tussen 13 en 15 jaar ‘mini-accounts’ die door de ouders worden aangemaakt en beheerd, met beperkte functionaliteiten, waaronder een beperkte schermtijd; en tot 18 jaar een ruimere toegang, maar binnen een beveiligde omgeving.
Ook de paradigmaverschuiving is belangrijk: voortaan zouden de platformen moeten aantonen dat hun diensten veilig zijn voor kinderen, in plaats van de verantwoordelijkheid voor hun bescherming uitsluitend bij de ouders te leggen.
Ik besef uiteraard dat dit geen eenvoudig debat is. Maar niets doen tegenover de ongelijke machtsverhouding tussen sociale media en onze jongeren is wat mij betreft geen optie meer. Er komt steeds meer wetenschappelijke literatuur over de risico’s die overmatig of onaangepast gebruik van sociale media kan hebben voor de mentale gezondheid van jongeren.
Er zullen altijd manieren zijn om regels te omzeilen – daarover hoeft niemand naïef te zijn. Maar leeftijdsgrenzen vastleggen geeft ook een maatschappelijk signaal: net zoals bij alcohol of kansspelen is het gebruik van sociale media niet neutraal en niet zonder gevolgen.
Het voorstel sluit in ieder geval aan bij de resolutie die het Europees Parlement diezelfde week heeft aangenomen om een veilige onlineomgeving te garanderen. Tegelijk blijft er enorm veel werk te verrichten rond fundamentele kwesties zoals verslavende praktijken en transparantie van algoritmen.
In een gespannen geopolitieke context, waarin Rusland steeds vaker de grenzen van Europa test, beantwoordt het idee om een Europese Veiligheidsraad op te richten, in nauwe samenwerking met partners als het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Oekraïne en Canada, aan een duidelijke noodzaak. Tegenover hybride dreigingen, cyberaanvallen en sabotageoperaties moeten onze besluitvormingsstructuren sneller en operationeler worden.
Het voorstel is niet nieuw. Voormalig voorzitter van de Europese Raad Charles Michel bracht het in 2025 al naar voren. Het is dus tijd om hiermee vooruitgang te boeken.
In dezelfde geest weerspiegelt de voorgestelde toenadering tot Canada, waarbij zelfs wordt gedacht aan een nieuwe status als ‘geassocieerd lid’, de ambitie om sterkere partnerschappen uit te bouwen tussen democratieën die gemeenschappelijke belangen en waarden delen. Het blijft afwachten welke concrete vorm die nog niet bestaande status van ‘geassocieerd lid’ zou krijgen.
Maar er bestaat weinig twijfel over dat Europa en Canada evolueren naar een unieke vorm van samenwerking, een ‘alliantie voor de toekomst’, om de woorden te gebruiken van de Canadese premier Mark Carney, die ons halfrond toesprak.
Toch moeten we sneller gaan. Veel sneller.
Ursula von der Leyen heeft dat zelf meermaals erkend. Iedereen draagt daarin een deel van de verantwoordelijkheid. Maar ik stel vast dat van de meer dan 400 initiatieven die de Commissie sinds het begin van deze legislatuur heeft aangekondigd, een honderdtal nog niet eens in concrete wetgeving is omgezet.
Nog zorgwekkender is dat naar schatting slechts 15 à 20 procent van de aanbevelingen uit het rapport-Draghi over het Europese concurrentievermogen vandaag daadwerkelijk zou zijn uitgevoerd. De diagnose van de voormalige voorzitter van de Europese Centrale Bank wordt nochtans breed gedeeld en over de urgentie om in actie te komen bestaat nauwelijks nog discussie. Tegen het huidige tempo zouden we echter minstens tot 2035 moeten wachten voordat alle aanbevelingen zijn uitgevoerd. Dat is laat.
Ook op het vlak van artificiële intelligentie had ik een veel ambitieuzer antwoord verwacht, in verhouding tot de existentiële risico’s die ermee gepaard gaan.
Ten slotte kwamen de kosten van levensonderhoud en de moeilijkheden waarmee gezinnen worden geconfronteerd wel aan bod, onder meer via de energie- en woningprijzen, maar daar stond geen omvattend pakket maatregelen tegenover. Nochtans is de koopkracht de belangrijkste bezorgdheid van Europese burgers. Ook van de Belgen.
Ik had van de Commissie meer ambitie verwacht op het vlak van koopkracht.
Uiteindelijk gaat deze toespraak zeker in de goede richting. Ik herken er verschillende strijdpunten in die ik zelf in het Europees Parlement verdedig. Maar het Europese probleem blijft hetzelfde: tussen goede intenties en de daadwerkelijke uitvoering ervan verliezen we nog te veel maanden.
Het is tijd om resultaten te boeken.
Een schild voor onze democratieën
Een andere belangrijke stemming deze week betrof de aanbevelingen van het Parlement om het Europees schild voor de democratie te versterken.
Achter die naam schuilt uiteindelijk een vrij eenvoudige doelstelling: ervoor zorgen dat onze democratische keuzes daadwerkelijk de onze blijven.
Buitenlandse inmenging, desinformatiecampagnes, cyberaanvallen, door artificiële intelligentie gegenereerde nepinhoud… De middelen waarmee wordt geprobeerd onze samenlevingen te destabiliseren, zijn veel geavanceerder geworden.
Het doel is niet om in paranoia te vervallen, maar wel om deze realiteit ernstig en met de nodige koelbloedigheid onder ogen te zien. Op mijn website ga ik uitgebreider op deze tekst in.
Wat we vooral moeten onthouden, is dat we veel spreken over strategische autonomie op het vlak van defensie, energie en industrie. Maar misschien begint die autonomie nog vroeger: bij ons vermogen om vrij onze leiders en ons beleid te kiezen en uiteindelijk onze eigen toekomst te bepalen, zonder dat buitenlandse mogendheden of organisaties proberen in onze plaats te beslissen.
Vertrouwen in kernenergie gaat hand in hand met veiligheid
De voorbije maanden heb ik als rapporteur gewerkt aan het advies van het Europees Parlement over het toekomstige Europees instrument voor samenwerking inzake nucleaire veiligheid en ontmanteling (INSC-D). Mijn tekst werd deze week met een zeer ruime meerderheid aangenomen.
Kernenergie krijgt vandaag opnieuw een belangrijke plaats in de wereld en ook in Europa. Dat is een evolutie die ik volledig steun.
In een onstabiele geopolitieke context vermindert meer energieproductie op ons eigen grondgebied onze afhankelijkheid en versterkt ze onze bevoorradingszekerheid. Bovendien biedt kernenergie ons koolstofarme energie die goed aansluit bij de klimaatdoelstellingen die we onszelf hebben opgelegd.
Maar die terugkeer van kernenergie moet uiteraard gepaard gaan met een even duidelijke vereiste: de veiligheid ervan garanderen, vandaag én morgen.
Dat is noodzakelijk om burgers en het milieu te beschermen, maar ook simpelweg om het vertrouwen in deze technologie te behouden. Het toekomstige Europese instrument zal daarom de samenwerking met partnerlanden op het gebied van nucleaire veiligheid samenbrengen met de financiering van de ontmanteling van bepaalde Europese installaties en het beheer van het daaruit voortvloeiende afval.
Die veiligheid moet zich ook aanpassen aan nieuwe dreigingen.
Kritieke energie-infrastructuur, en uiteraard ook nucleaire installaties, kan vandaag geconfronteerd worden met risico’s die enkele jaren geleden veel minder aanwezig waren, waaronder aanvallen met drones. Ik heb er daarom op aangedrongen dat deze nieuwe realiteit expliciet in onze positie wordt opgenomen.
Ook België is rechtstreeks betrokken, aangezien het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Europese Commissie installaties heeft in Geel, in de provincie Antwerpen. Sommige daarvan zullen op een dag ontmanteld moeten worden.
Ons standpunt is eenvoudig: deze infrastructuur behoort toe aan de Europese Unie en de Unie moet haar verantwoordelijkheden dan ook volledig blijven opnemen, ook financieel, zolang dat nodig is.
Tot slot moeten we nu al nadenken over de kernenergie van morgen. De tekst integreert onder meer de veiligheid van kleine modulaire reactoren, de zogenaamde SMR’s, in onze samenwerking met partnerlanden.
Ik heb er eveneens voor gepleit dat de Commissie rekening houdt met het Europese concurrentievermogen, zodat onze samenwerkingsprogramma’s er niet indirect toe leiden dat we de ontwikkeling van concurrerende niet-Europese technologieën ondersteunen.
Ceuta: migratie niet overlaten aan de extremen
Op 30 en 31 juli zorgde de massale toestroom van meer dan 70.000 migranten naar Ceuta, de Spaanse en Europese stad aan de Noord-Afrikaanse kust, terecht voor grote beroering.
Net als Melilla vormt Ceuta een van de landgrenzen tussen de Europese Unie en het Afrikaanse continent. Een grens die regelmatig onder grote druk staat.
De menselijke tol is dramatisch: 141 mensen kwamen om het leven op zee. De crisis is vandaag nog steeds niet opgelost. Duizenden mensen zouden zich nog in Ceuta bevinden, vaak in precaire omstandigheden, terwijl de situatie ook voor de plaatselijke bevolking bijzonder moeilijk is.
Het is dan ook normaal dat het Europees Parlement zich over deze kwestie buigt.
Politiek gezien zagen we in het debat opnieuw de confrontatie tussen de Italiaanse premier Giorgia Meloni en de Spaanse premier Pedro Sánchez. Dat betreur ik.
Daarnaast heeft extreemrechts in het halfrond soms toegegeven aan de verleiding om informatie te verspreiden die niet altijd geverifieerd was. Tegelijk moet worden vastgesteld dat S&D er alles aan heeft gedaan om de Spaanse – linkse – regering buiten schot te houden, terwijl er legitieme vragen blijven bestaan over de aanpak van de crisis.
Het staat eveneens buiten kijf dat het omvangrijke regularisatieplan voor mensen zonder papieren dat Spanje vóór de zomer uitvoerde, zeker niet heeft geholpen om de juiste signalen uit te sturen op een moment waarop Europa de migratiestromen beter onder controle probeert te krijgen.
Uiteindelijk werd de door de EVP opgestelde tekst met zeer weinig amendementen aangenomen.
De tekst bevat niettemin belangrijke politieke boodschappen: de buitengrens versterken, het Migratie- en Asielpact volledig uitvoeren, de instrumentalisering van migranten beter bestrijden en meer informatie en samenwerking van Marokko vragen.
Daarnaast is het essentieel dat er duidelijkheid komt over wat er precies is gebeurd. Ik betreur dat bepaalde amendementen niet werden aangenomen, vooral wat betreft het lot van kinderen en de humanitaire situatie ter plaatse.
Toch vond ik het noodzakelijk dat democraten deze tekst konden steunen als een duidelijke en ondubbelzinnige reactie op de gebeurtenissen in Ceuta.
Als we dergelijke thema’s uitsluitend aan extreemrechts overlaten, geven we hen het terrein van het migratiedebat cadeau en laten we de indruk ontstaan dat zij de enigen zouden zijn die actie willen ondernemen.
Het is nochtans mogelijk om in Europa een streng, doeltreffend én menselijk migratiebeleid te verdedigen dat op een gepaste manier tegemoetkomt aan de bezorgdheden van de burgers. Dat beleid behoort niet toe aan één ideologisch kamp.
Drugshandel: de netwerken aanpakken, niet alleen de ladingen
Een andere tekst die deze week met een zeer ruime meerderheid werd aangenomen, is een resolutie over de bestrijding van de drugshandel in Europese wateren.
Op het eerste gezicht lijkt dat misschien een probleem dat ver van Brussel of Straatsburg staat. Toch gaat het ook over de eerste schakels in de keten die drugs naar onze steden en wijken brengt en daar het geweld voedt.
Deze resolutie sluit aan bij de argumenten voor een versterking van de middelen en bevoegdheden van Europol. Dat is precies de lijn die ik als schaduwrapporteur verdedig bij de herziening van het mandaat van het agentschap.
De drugshandel illustreert uiteindelijk bijzonder goed een uitdaging waarmee Europa ook op andere terreinen steeds vaker wordt geconfronteerd: criminele organisaties werken in netwerken, opereren over de grenzen heen en beschikken over aanzienlijke middelen.
We kunnen hen niet doeltreffend bestrijden zolang onze veiligheidsdiensten ieder afzonderlijk blijven werken.
Koolstofarm maken, ja. Maar niet ten koste van onze industrie of koopkracht
Tot slot stonden ook het Europese klimaat- en industriebeleid centraal bij een aantal belangrijke stemmingen deze week.
Eerst was er het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens (CBAM). Het principe is vrij eenvoudig: als een Europese onderneming moet betalen voor de koolstof die ze uitstoot, mag het importeren van hetzelfde product uit een land met veel minder strenge milieunormen geen manier worden om onze regels te omzeilen.
Tot nu toe had CBAM vooral betrekking op grondstoffen zoals staal, aluminium, cement en meststoffen. Het Parlement wil het mechanisme nu veel ruimer uitbreiden naar afgewerkte producten die uit deze materialen worden vervaardigd.
Daarnaast worden de regels aangescherpt om strategieën waarmee het systeem wordt omzeild tegen te gaan.
In een systeem waarin we een koolstofmarkt met emissierechten opleggen, helpt CBAM om eerlijkere concurrentievoorwaarden te herstellen. Zo verkleinen we het risico dat schoner produceren in Europa een concurrentienadeel wordt of ertoe leidt dat productie naar het buitenland verhuist.
Over emissiehandel gesproken: twee andere stemmingen hadden betrekking op de zogenaamde marktstabiliteitsreserves, MSR1 en MSR2.
Achter die afkortingen schuilt een veiligheidsreserve van emissierechten. Wanneer er te veel rechten op de markt zijn, kunnen er worden weggehaald. Wanneer ze te schaars worden en de prijzen sterk stijgen, kunnen er opnieuw rechten op de markt worden gebracht.
Het doel is buitensporige schommelingen van de koolstofprijs te vermijden en tegelijk de stimulans om de uitstoot te verminderen in stand te houden.
Voor MSR1 heeft het Parlement ervoor gekozen het principe van annulering te behouden, maar het plafond op te trekken van 400 naar 650 miljoen emissierechten. Dat is een compromis. Het is niet ideaal, maar het zorgt er ten minste voor dat het beschikbare vangnet groter wordt wanneer de prijzen onder druk komen te staan.
MSR2 heeft betrekking op de nieuwe koolstofmarkt die vanaf 2028 van toepassing wordt op gebouwen en wegvervoer en daardoor mogelijk veel directer gevolgen heeft voor gezinnen.
Het Parlement en de Raad zijn overeengekomen deze reserve reactiever te maken. De looptijd wordt verlengd en wanneer het prijscontrolemechanisme wordt geactiveerd, kan het aantal emissierechten dat opnieuw op de markt wordt gebracht twee keer per jaar worden verdubbeld van 20 naar 40 miljoen.
Het doel is duidelijk: voorkomen dat een buitensporige stijging van de koolstofprijs zich plotseling vertaalt in hogere verwarmings- of brandstofrekeningen.
Het zijn bijzonder technische dossiers, maar de achterliggende filosofie is belangrijk.
De klimaattransitie kan alleen slagen als ze niet ten koste gaat van onze industrie of van de koopkracht van de burgers.
Meer informatie is beschikbaar op de website van het Europees Parlement.