Alleen het gesproken woord telt.

 

Mijnheer de voorzitter,

Dames en heren volksvertegenwoordigers,

Zoals u weet, vond op 20-21 februari laatstleden een extra Europese Top specifiek over de Europese Meerjarenbegroting 2021-2027 plaats. Op 18 februari gaf ik u daarover een briefing en vandaag sta ik opnieuw voor u om u op de hoogte te houden van de besprekingen in het kader van de Top.

[DE AMBITIES VOOR DEZE TOP – TOENADERING VAN DE STANDPUNTEN]

De vergadering heeft plaatsgevonden van 20 tot 21 februari. Zoals u weet, was het niet gemakkelijk om tot een gemeenschappelijk standpunt te komen.

Drie belangrijke elementen moeten worden verzoend, namelijk: het globale volume bepalen, een evenwicht vinden tussen, enerzijds, het convergentiebeleid – landbouw en cohesie – en, anderzijds, het zogenaamde “nieuwe” beleid met de Green Deal, digitalisering, migratie en defensie, en tot slot overeenstemming bereiken over aanverwante beleidskwesties zoals de “Rule of Law”-voorwaarde of de kwestie van de eigen middelen van de Europese Unie.

Daar komt dan nog bij dat op Belgisch niveau ook verschillende perspectieven moeten worden verzoend met enerzijds de federale staat, die als enige de last van de financiering van de EU-begroting draagt, en anderzijds de gewesten, die het meest profiteren van de uitgaven die in de EU-begroting zijn voorzien zonder de begrotingskost ervan te dragen.

Deze bewering moet echter genuanceerd worden aangezien er niet alleen tussen de federale overheid en de gewesten, maar ook tussen de gewesten onderling een belangrijke band bestaat. Dit betekent dat wanneer het goed gaat met de gewesten, heel België er baat bij heeft. Bovendien spreekt het voor zich dat het Europese project heel België ten goede komt.

Wat de vaststelling van het volume betreft, wil ik u eraan herinneren dat het Parlement zich heeft uitgesproken voor een globaal volume van 1,3 % van het BNI van de 27 lidstaten. De Commissie van haar kant heeft 1,1 % van het Europese BNI voorgesteld. De voorzitter van de Europese Raad heeft in zijn nego-box een volume vastgesteld dat 1,06% aan betalingskredieten en 1,074% aan vastleggingskredieten vertegenwoordigt.

Wat deze verschillende voorstellen betreft, moeten we beseffen dat ze allemaal een aanzienlijke begrotingskost voor elke lidstaat met zich meebrengen, wat overigens duidelijk heeft gewogen op de debatten.

Zo kan voor de Belgische federale staat, naargelang het gekozen scenario, de extra begrotingslast zeer sterk variëren, gaande van +1,14 miljard per jaar met het voorstel van de voorzitter van de Raad (d.w.z. 1,074%) tot +2,056 miljard per jaar met het voorstel van het Parlement (d.w.z. 1,3%).

Ik ben me bewust dat er werd over deze volumekwestie trouwens een duidelijk standpunt ingenomen door sommigen in België die een beperking tot 1,05 procent eisten, en tegelijkertijd vroegen om een verhoging van de middelen voor programma’s als Horizon Europa, digitalisering, migratie, maar ook voor het GLB.

Een begroting van 1,05 procent zou nog steeds 1 miljard per jaar aan de federale staat extra kosten dan wat het nu is. Dit wil zeggen, dat het voorstel van 1,05 procent 146 miljoen euro minder per jaar zou kosten dan het voorstel van de Voorzitter van de Europese Raad a rato van een totaal van 4,4 miljard per jaar. Het is belangrijk te beschouwen dat een cent is een cent maar kunnen we echt spreken over zuinig beleid in dit geval rekening houdend met de cijfers die ik u net heb gegeven.

Bovendien tegelijkertijd een vermindering van de voorgestelde begroting vragen én een verhoging van de middelen voor bepaalde programma’s leidt tot een onoplosbare formule. Inderdaad, een eenvoudige berekening toont aan dat aan de optelsom van al deze eisen niet kan worden voldaan in een begroting die zou zijn vastgesteld op 1,05 procent.

Tijdens de top heeft de Raad zich moeten buigen over het gemeenschappelijke standpunt van vier landen die zelf als “zuinig” worden bestempeld en waarvoor 1% van het BNI aanvaardbaar wordt geacht en op voorwaarde dat zij extra kortingen krijgen rekening houdend met hun status als nettobetalers.

Ik herinner u eraan dat de kortingen reducties zijn die het Verenigd Koninkrijk in het verleden heeft bedongen en dat 5 andere staten ervan profiteren, namelijk de 4 “zuinige” plus Duitsland.

De voorzitter van de Raad had in zijn nego-box voorgesteld de kortingen te handhaven, maar ze wel degressief te maken.

Zoals verwacht hebben de zuinige lidstaten gevochten om de kortingen hoog en permanent te houden, terwijl andere lidstaten pleiten voor de afschaffing ervan met het oog op het vertrek van het Verenigd Koninkrijk.

Zoals u kunt vaststellen, is de kwestie van het globale volume van de begroting niet eenvoudig. Daarbij komt nog de kwestie van het evenwicht tussen het zogenaamde “nieuwe” beleid en het zogenaamde “traditionele” beleid op het gebied van cohesie en landbouw.

Het voorstel op basis waarvan de Europese Top is begonnen, voorzag in een aanzienlijke vermindering wat de cohesie en het GLB betreft, en in een aanzienlijke verhoging van het zogenaamde “nieuwe” beleid inzake innovatie, de “Green Deal” en de digitalisering bijvoorbeeld.

Wat dit voorstel betreft, stonden dezelfde groepen tegenover elkaar. Voor de vrienden van de cohesie was er geen sprake van dat er geraakt zou worden aan de capaciteit voor steun en investeringen in het cohesie- en GLB-beleid, terwijl de andere groep van mening was dat de bezuinigingen zich vooral op dit beleid zouden moeten richten.

Verscheidene lidstaten benadrukten dat nieuw beleid en convergentiebeleid niet tegenover elkaar mogen worden geplaatst. Dit is ook het standpunt van België. Een andere aanpak is inderdaad mogelijk. Denk bijvoorbeeld aan verdere modernisering van de landbouwsector of aan de verdere ‘vergroening’ van regionaal ontwikkelingsbeleid.

De ambitie van het convergentiebeleid om regio’s te laten aansluiten bij de gemiddelde Europese groei is ook nuttig om de klimaat- of digitale uitdaging het hoofd te bieden. En omgekeerd moet de klimaat- of de digitale ambitie investeringen genereren die ook de hele Europese Unie, inclusief de minder ontwikkelde lidstaten, ten goede komen.

Tot slot stonden er naast de kwestie van het globale volume van de begroting en het evenwicht tussen het zogenoemde traditionele en het nieuwe beleid ook andere politieke kwesties op de agenda.

Ik vermeld in het bijzonder de kwestie van de eigen middelen van de Europese Unie. In dit verband lag, in overeenstemming met de Green Deal, het voorstel op tafel om een bijdrage vast te stellen voor plastic afval, met de bedoeling de productie van dergelijke producten te ontmoedigen.

Een andere maatregel was bedoeld om het ETS-systeem in het Europese kader uit te breiden tot buiten de bestaande nationale systemen.

Andere voorstellen, zoals een luchtvaartbijdrage of een bijdrage op financiële transacties, werden eveneens enkel vermeld, in de wetenschap dat over deze specifieke thema’s nog veel gediscussieerd en gedebatteerd zal moeten worden buiten de MFF onderhandelingen.

Wat het plastic afval betreft, lijkt een grote meerderheid voor de maatregel te zijn. In verband met het ETS-systeem hebben enkele landen zich terughoudend opgesteld, zonder echter een definitief veto uit te spreken.

De andere belangrijke politieke kwestie die op de agenda stond was de “Rule of Law”-voorwaarde. Het voorstel van de Europese Commissie en het Finse voorzitterschap om de begroting te koppelen aan het bestuur en de rechtsstaat was opgenomen in de nego-box van de voorzitter van de Raad.

Over dit punt lijkt er een toenadering te zijn tussen de standpunten, ook al lopen die nog steeds uiteen over de meerderheidsregels die het mogelijk moeten maken een staat te sanctioneren.

[HET VERLOOP]

Wat betreft het verloop van de top zelf en de dynamiek van de onderhandelingen werden alle gekende meningen in de plenaire vergadering herhaald. Vervolgens werd de vergadering van de Raad opgeschort om plaats te maken voor de bilaterale besprekingen tussen de voorzitter van de Raad en de voorzitster van de Commissie enerzijds en de afzonderlijke lidstaten anderzijds. De vier nettobetalers – Nederland, Zweden, Oostenrijk en Denemarken – kozen er vervolgens voor om met vier als groep te onderhandelen.

Ik heb namens België deelgenomen aan de bilaterale onderhandelingen. In dit kader heb ik de gelegenheid gehad om de krachtlijnen en bijzonderheden van ons standpunt specifiek toe te lichten. Ik herinner u eraan dat dit standpunt werd vastgesteld tijdens de DGE-vergadering, die vertegenwoordigers van de federale regering en de deelgebieden samenbrengt.

Dit standpunt werd u twee weken geleden ook al  voorgesteld.

Ter herinnering:

  • Er is weinig manoeuvreerruimte in de federale begroting en we moeten een redelijk evenwicht vinden dat rekening houdt met het vertrek van een nettobetaler, de wil om het zogenaamde “traditionele” beleid zoveel mogelijk te handhaven en te investeren in nieuw beleid.
  • Wat het cohesiebeleid betreft, pleiten wij voor steun aan regio’s die zich in een overgangsfase bevinden.
  • Wat het gemeenschappelijk landbouwbeleid betreft, is het belangrijk dat we dit blijven verdedigen, in het bijzonder wat betreft de eerste pijler die rechtstreeks van invloed is op het inkomen van onze landbouwers.
  • Zoals ik u tijdens de laatste vergadering heb gezegd, zijn de onderzoeksprogramma’s in het kader van Horizon Europa van cruciaal belang voor ons concurrentievermogen, aangezien we in deze sectoren bijzonder goed presteren.
  • Wij steunen ook de voorstellen van de Commissie over nieuwe prioriteiten zoals migratie, veiligheid en digitalisering.
  • Ten slotte moet de Europese begroting volgens ons rekening houden met de mogelijk verstrekkende gevolgen van de Brexit voor landen die er een even grote impact van ondervinden als België.

Ik heb al deze punten met kracht en overtuiging verdedigd tijdens de onderhandelingen, zowel in de plenaire vergadering als in de bilaterale vergaderingen.

Buiten deze bilaterale ontmoetingen vond er ook overleg plaats tussen gelijkgestemde groepen. En ook België heeft actief deelgenomen aan dergelijke besprekingen. Dit was onder meer het geval met de Benelux-landen, bilateraal met Nederland (met Mark Rutte hebben we de contouren van een kwalitatieve samenwerking rond het dossier in verband met de kosten van de inning van douanerechten kunnen vastleggen), maar ook met landen als Spanje, Portugal, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland, Ierland en Griekenland op het gebied van landbouw of het cohesiebeleid bijvoorbeeld.

Ikzelf heb tijdens de bilaterale besprekingen benadrukt dat België in dit stadium het voorstel dat op tafel ligt niet kan aanvaarden, in het bijzonder wat betreft de voorstellen op het gebied van cohesie, het GLB en de douanerechten. Ik heb ook onze problemen aangekaart met betrekking tot de modaliteiten van het overgangsmechanisme (JTF, Pijler 2 en Pijler 3).

Op basis van al deze bilaterale discussies stelde de Commissie een aangepaste werkbasis voor. Het resultaat was een voorstel voor 1,069 % aan vastleggingskredieten en 1,05 % aan betalingskredieten en permanente kortingen voor de vijf staten die momenteel kortingen genieten in de vorm van “lump sums”.

Een verdere reductie van de marges en een beperkte herfinanciering van pijlers 1 en 2 inzake landbouwbeleid maakten daar verder deel van uit, alsmede een versterking van de klimaat ‘mainstreaming’ (waarbij in plaats van 25% nu 27% van het budget zou worden ingezet op klimaatvriendelijke programma’s).

Er zou tevens een meer duidelijke beslissingsprocedure rond het rechtsstaatmechanisme worden uitgewerkt, samen met aanvullende flexibiliteiten op het vlak van cohesiebeleid.

Met betrekking tot de douane inningskosten werd voor iedereen 15% voorgesteld, behalve voor Nederland dat 25% zou krijgen tussen 2021-2023.

Over dit laatste wil ik het volgende zeggen : de samenwerking met Mark Rutte hierover ging en gaat zeer goed. Beide landen hebben dit dossier consequent verdedigd. Het laatste voorstel van de Commissie was echter niet aanvaardbaar voor België. Ik heb de Commissie daar onmiddellijk van op de hoogte gebracht en ik werd in die zin tijdens de plenaire gevolgd door Mark Rutte die ook heeft benadrukt dat de voorstellen over de douanerechten op iedereen van toepassing moesten zijn.

In ieder geval werd het laatste kader dat door de Commissie is voorgesteld, zowel door de vrienden van de cohesie als door de zuinige landen verworpen omdat het toen niet aanvaardbaar was als basis voor verdere onderhandelingen.

Daarom heeft de voorzitter dus moeten concluderen dat er na 30 uur onderhandelen geen enkel vooruitzicht was op een akkoord. Er werd dan ook beslist om de Top stop te zetten. Voorlopig is er geen nieuwe vergaderdatum vastgelegd.

Ik zou duidelijk willen maken dat deze situatie niet ongebruikelijk is. Bij de laatste onderhandelingen moesten er drie Europese toppen worden gehouden voordat er een compromis werd bereikt.

Deze uiteenzetting geeft u – lijkt mij – een relatief volledige samenvatting van de besprekingen die hebben plaatsgevonden. Zoals gewoonlijk staan mijn medewerkers en ikzelf tot uw beschikking om naar uw opmerkingen te luisteren en eventuele vragen te beantwoorden.

Ik dank u.